Monoloog - Transnationaal

Transnationale samenwerkingen - Jan van Rompaey

Onder dit hoofdstuk hebben we het over transnationale samenwerkingen. Als je verder klikt vind je hier informatie over een aantal projecten die op transnationaal niveau zijn uitgevoerd. Ze gaan over de plaats van vrouwen op de arbeidsmarkt.

Nu, waarom worden transnationale samenwerkingen opgestart? Dat is om INFORMATIE uit te wisselen (informatie uitwisselen). Die informatie bestaat uit kennis over en instrumenten om te werken aan een vlotte integratie van de vrouw op de arbeidsmarkt.

Mocht je denken: wat hebben we aan die transnationale samenwerking? Moeten we niet eerst in eigen land alles “oplossen”?  Wel, we leren van elkaar.

Die samenwerking wordt opgestart om kennis en ervaringen uit te wisselen. Een volgende stap is het parallel, dus tegelijkertijd, ieder voor zich op nationaal niveau, nieuwe aanpakken te ontwikkelen mét die kennis. Je leert anders kijken naar de problematiek.  Vervolgens kunnen die aanpakken onderling geïmporteerd, geëxporteerd of geadopteerd worden. En dan pas kan men gezamenlijk beginnen uitvoeren. Dat kan zelfs door onderzoekers en opleiders en andere betrokkenen uit te wisselen tussen de verschillende landen.

Nu, hoe gaat dat precies in z’n werk?

Het is niet alleen belangrijk dat werkpakketjes worden opgesteld en informatie wordt uitgewisseld, maar dat het beleid op de hoogte wordt gebracht én overtuigd wordt, om zo de resultaten en de producten van de samenwerking op te nemen. Dus de voorbereidende stappen om het beleid te betrekken en het nut van de onderzoeken over te brengen, moeten VAN IN HET BEGIN genomen worden. Het proces van die nieuwe opvattingen en methoden te introduceren bij het beleid, met het oog op het gebruik ervan, heet MAINSTREAMING. Dat betekent dat die ideeën als het ware worden OPGENOMEN door de mainstream: de gemeenschap.

Een marketingplan opstellen is dan heel nuttig. Je bereidt persconferenties voor, je voorziet een website met informatie, je stelt flyers op, of een forum,  en wat niet meer. Een website zoals degene waar je nu op zit, is een goed startpunt.
En ondertussen bouw je een netwerk op TIJDENS de samenwerking. Dat netwerk wordt dan gebruikt om verdere samenwerking en projecten op te starten. Logisch toch?

Maar het is natuurlijk meer dan dat.
Wat zijn de grootste struikelblokken? En wat doe je er aan?

Nu, uiteraard zal die samenwerking UITDAGEND zijn. Je moet je inwerken in een andere cultuur. Het is altijd hopen dat de communicatie vlot zal verlopen, want het gebeurt allemaal in een andere taal … Zo’n samenwerking kan ook DUUR zijn. Dat mogen we niet uit het oog verliezen …  Je zal, met andere woorden, de nodige moeite moeten doen.

Maar die struikelblokken wegen niet op tegen de enorm diverse, nieuwe materie die je meekrijgt. Zo’n samenwerking kan echt onvoorstelbaar verrijkend zijn. Europa heeft op een klein oppervlak zoveel verscheidene lidstaten, regio’s en lokale gemeentes, het kan niet anders dan dat je de ogen geopend worden.   

Het is EIGenlijk een mooi gegeven: je DEELT kennis met mensen in jouw veld, je krijgt nuttige informatie van hen. En zelf deel je ook je eigen bevindingen, om hén vooruit te helpen.

Nu; het is eigen aan onze onderzoekswereld dat wij ‘voorzichtig’ zijn met het “weggeven” van informatie. We delen niet graag. Tja, we zijn met velen die onderzoek voeren, en subsidies willen krijgen. Dat is een realiteit. Het is bijvoorbeeld geen slecht idee om van in het begin auteursrechten en zo vast te leggen, zodat het echte werk niet belemmerd wordt …

Want of het nu gaat om een nationaal, of om een transnationaal project: we mogen het vertrekpunt niet vergeten, namelijk het opzet om je DOELGROEP zo goed mogelijk te helpen en te begeleiden.